Welkom op mijn blog! U vindt hier Christelijke kerstverhalen, Christelijke Paasverhalen en gedichten bij de Christelijke feestdagen. Deze verhalen en gedichten mag u ongewijzigd met vermelding van naam of bron vrij gebruiken voor uw vieringen, kerkblad, liturgie enz. U kunt mijn blog terugvinden via http://christelijkefeestdagen.blogspot.com/ Voor het verzorgen van een lezing met voordrachten op uw vereniging kunt u contact opnemen via cobytjeert@live.nl Inmiddels is er een volledig programma voor Kerst en Pasen.
Heeft u belangstelling voor mijn boeken, die zijn verkrijgbaar bij bol.com, bestelmijnboek.nl, via cobytjeert@live.nl en te leen in de bibliotheek.
Vanaf juni 2018 ben ik niet meer actief op Facebook.
U kunt mijn gedichten blijven lezen via mijn blogs. In de linker kolom ziet u de links naar meerdere blogs. Veel leesplezier!

donderdag 31 oktober 2013

Kerstverhaal 2013 "Nieuwe mensen", nu ook in het Fries




Nieuwe mensen

Ik speel dat mijn fiets een paard is en steiger door de nieuwbouw. Soms glijd ik bijna uit over de bobbels zand. De stratenmakers zijn al naar huis. Het wordt nu snel donker. Eén rijtje nieuwbouwhuizen is klaar. Ik stijg af en stal mijn paard. Er brandt licht in één van de huizen en ik wil kijken of er mensen met kinderen wonen. Ik voel me een beetje alleen. De meeste kinderen van mijn klas hebben broertjes en zusjes en een vader en moeder thuis. Een echt vriendinnetje heb ik niet want de kinderen in mijn klas vinden het vreemd dat ik alleen een moeder thuis heb. Ook al zeg ik altijd dat mijn pappa vaart, ze geloven me niet. Nou, dat snap ik wel want het ís ook niet zo.
Ik zie een oude bruine piano en op die piano een vierkante vissenbak met water en plantjes en een hele grote schelp, zo eentje waar je de zee in kunt horen. De vissenbak geeft licht. Ik zie een bank, stoelen met groene kussens en naast de piano een eettafel met zes stoelen. Een jongen en een meisje spelen scrabble. Een kleiner meisje kijkt toe. Het grootste meisje lijkt van mijn leeftijd. De jongen lacht en schrijft zijn punten in een schrift. Het meisje pakt 5 letters van het plankje en legt ze op het bord. De jongen telt en lacht nu niet meer. Hij schrijft weer punten in het schrift.
Dan komt de moeder binnen. Ze draagt een baby op de arm. De kinderen schuiven het bord en de plankjes naar het raam en de moeder gaat de baby verschonen op de tafel. Ik wil kijken welk woord het meisje heeft gelegd maar dan zien ze mij. Ze kijken tegelijk naar het raam en het grootste meisje staat op, gaat door de deur waardoor de moeder binnenkwam en doet de buitendeur open. ‘Je mag wel binnenkomen’ zegt ze. Ze geeft mij een hand en zegt dat ze Guusje heet. Ze gaat weer naar binnen en kijkt of ik wel mee kom. Als ik in de kamer sta komen ze naar mij toe en geven me een hand. De jongen heet Paul en het kleinere meisje Lidy. De moeder neemt de baby weer op de arm, geeft me ook een hand en vraagt of ik iets wil drinken. Of ik limonade lust. Guusje gaat met mij naar de keuken en pakt een fles met rozenbottels op het etiket. Ze vult een glas met een klein beetje en doet er water bij. Ik vind het lekker. Guusje vraagt of ik kan zingen. Ze gaan straks zingen bij de piano. De moeder speelt uit een groot boek met strepen en stippen en zwart-witte plaatjes. Ze zingt zelf ook mee. Ze schuiven voor mij een stoel naast de moeder, dan kan ik de woorden lezen in het boek, de anderen kennen ze al uit hun hoofd. Het is niet moeilijk zeggen ze. Als je naar de piano luistert kun je horen hoe de wijs gaat. Ik mag eerst luisteren. Ze zingen over engelkens die door de lucht zweven en wonderzacht zongen van de Heer van dood en leven en dan zingen ze Glo met een hele lange o en over Ria in Excelsis Deo. Daarna zingen ze over het zoete kindeke en over herders die er waren en bij de kribbe knielden. Dan komt weer die Glo met de lange o en die Ria. Ik kijk naar het plaatje en naar de baby die in een maxi-cosi ligt. Misschien noemen ze dat een kribbe. Maar wat die herders erbij moeten snap ik niet. Als ze vragen of ik mee wil zingen vraag ik wie Ria is met de moeilijke achternaam en of zij die maxi-cosi kribbe noemen. De moeder begint te stralen. Paul pakt een groot boek van de boekenplank, slaat het open en laat me mooie gekleurde platen zien. Hij legt me uit wat erbij staat en ik mag er in gaan lezen zo vaak ik wil. De moeder zegt dat ik alles vragen mag wat ik wil weten.

Als ik thuiskom eten we weer boontjes in tomatensaus. Nu denk ik er knakworstjes bij. Het is of de boontjes lekkerder zijn dan gisteren. Ik kijk naar het aanrecht maar om het blik zit hetzelfde etiket. Ik zeg tegen mamma dat ik bij de nieuwe mensen binnen ben geweest. Dat het gezellig was en dat ze bij de piano zongen over engelen in de lucht en over de Heer die een baby was en dat ik vaker mag komen en dat ze een heel mooi boek hebben waar die Heer als een kindje in een voerbak ligt wat ze een kribbe noemen. Mamma kijkt me aan en zegt dat ik op moet passen met vreemde mensen en dat ik ze niet te veel moet vertellen. Ze is moe van een hele dag achter de kassa zitten. Als ik afgeruimd heb en de afwas heb gedaan ligt ze te slapen op de bank. Ik zet de tv aan maar er is niets leuks voor. Ik ga achter de computer zitten en google het woord kribbe. “Kribbe (of krib) is een oud Nederlands woord voor voerbak of voederbak. Het woord is vooral bekend omdat in het geboorteverhaal van Jezus via Lukas te lezen valt dat Jezus na zijn geboorte in een kribbe werd gelegd.” Ik zie een kleurenfoto van zo’n kribbe die ik ook in het boek heb gezien van de mensen waar je mee op moet passen.

Weer bestijg ik mijn paard. Ik kreeg hem van mijn neefje, zijn vader zaagde de stang eraf en toen werd het een meisjesfiets. Als ik op de trappers sta voel ik de kuilen minder en ben ik in galop. De stratenmakers zijn een stuk verder gekomen. De deur is los. Guusje, Paul, Lidy en de moeder zitten bij de grote tafel. Ze zijn aan het knippen en plakken. Kleine plaatjes op gekleurd karton. Ze maken kerstkaarten voor de nieuwe buren. Ik mag ook meehelpen. Met een kartelschaar, die mooie randjes maakt, mag ik de gedichtjes uitknippen die ze uitgeprint hebben. Ik lees: “Onze Redder werd geboren, Hij overwon het kwaad, grote blijdschap is te horen als iedereen dit nieuws verstaat.” Ik vraag wat een Redder is. De moeder zegt dat het de Heer is die in die kribbe lag. Hij heeft toen Hij groot was alle kwaad van de mensen afgenomen en nu mag iedereen die dat wil bij Hem horen. Als alle mensen bij Hem willen horen omdat ze van Hem zijn gaan houden is er grote blijdschap.
Dan komt de vader thuis en zegt met een vrolijk gezicht dat hij een verrassing heeft. Hij houdt een zak omhoog met rode tekeningetjes erop. Ik ruik al wat het is. Als hij vraagt of ik mee wil eten pak ik blij mijn paard en steiger naar de supermarkt. Het mag van mamma. Als het eten op is gaat de vader uit het boek lezen. Wat heeft hij een mooie stem. Iedereen is stil en dan gaan ze hun handen weer vouwen maar nu gaat de vader hardop praten met zijn ogen dicht. Hij dankt de Heer die een baby is geweest voor het lekkere eten en vraagt of het kerstfeest gezegend mag worden en iets over het aanraken van harten. Nadat hij amen heeft gezegd gaat iedereen met volle handen naar de keuken. De tafel is zo afgeruimd. De vader komt terug in de kamer en gaat bij mij aan de tafel zitten. Dan vraagt hij zomaar onverwacht of ik ook een pappa heb. Ik denk aan mamma’s woorden. Is praten met gevouwen handen iets waar je voor op moet passen of moet ik nu oppassen dat ik niets vertel? Maar deze vader heeft zulke vriendelijke ogen en dan vertel ik toch wat ik nog nooit aan iemand heb gezegd. Het is een tijdje stil. Hij zegt dat hij na gaat denken wat hij voor ons kan doen en vraagt of ik zin heb om straks mee te helpen de schuur van de borg alvast gezellig te maken voor het kinderkerstfeest.

Als ik na afloop thuiskom kijkt mamma blij. Ze heeft bezoek gehad en ik mag drie keer raden. Ik zie op de tafel de doos met scrabble staan en morgen komen Paul en Guusje bij mij scrabble spelen. Dan gaat mamma naar de nieuwe mensen. Ze zoeken een oppas voor de dagen dat mamma niet in de supermarkt werkt en gaan haar uitleggen waar ze alle spullen kan vinden en hoe alles werkt.

Paul, Guusje en ik mogen met de fiets naar het kerstfeest in de grote schuur van de borg. De anderen gaan met de auto die nu vol is. Op het fietspad vertel ik Guusje dat mijn fiets een paard is, ik ga een stukje harder rijden en laat zien hoe je kunt steigeren. Guusje probeert het ook maar gaat gevaarlijk slingeren. Paul botst met zijn voorwiel tegen haar spatbord aan. ‘Kijk uit’, roept hij. Guusjes voorwiel komt naast het fietspad en Guusje valt in de berm. Ze staat meteen weer op, klopt dapper het zand van haar jas, zet de fiets overeind en buigt het stuur recht door het voorwiel tussen haar benen te klemmen. Als we weer verder fietsen moppert Paul achter ons dat we niet weer zo gevaarlijk moeten doen, dat hij de oudste is en op hen moet letten en dat hij het straks op de kop krijgt omdat Guusje er nu niet uit ziet. Guusje zegt tegen Paul dat ze speelde dat haar fiets een paard was en dat ze leerde steigeren. ‘Een ezel zal je bedoelen’ zegt Paul. ‘Oke’, zegt Guusje, ‘dan is jouw fiets een os.’ Dan gaan we de oprijlaan in. Het wordt al een beetje donker. Ik denk aan de kerstliedjes en begin te zingen. Paul is nog een beetje chagrijnig van het botsen maar Guusje zingt meteen mee. Wat klinkt dat hier mooi in de stilte. Als het nu ook nog zou sneeuwen zou het helemaal prachtig zijn. De vader staat ons al op te wachten. Onze fietsen mogen binnen staan zegt hij. We moeten de jas aanhouden want er is geen verwarming. Gelukkig is hier niet veel licht. Niemand ziet dat Guusjes kleren vies geworden zijn.

Ik speel dat deze schuur de stal van Betlehem is, dat hier het kindje Jezus is geboren en dat wij de herders zijn die op bezoek mogen komen. Ik zit naast Guusje, ze lijkt wel een echte herder met die modder op haar kleren en de schrammen op haar hand. We luisteren naar de mevrouw die het verhaal vertelt. Ik kijk naar mamma. Zou zij het ook een mooi verhaal vinden? Ze ziet mij en opeens lijkt het of het scrabbelt door mijn hoofd, alsof de letters vanzelf in een rijtje gaan staan. Heel zachtjes fluister ik, zo zacht dat zelfs Guusje het niet kan horen: "Lieve Jezus, dank U wel dat mamma weer heeft gelachen. Misschien komt het omdat ze in het boek is gaan lezen als ze op moest passen. Eerst wilde ze bijna niks en nu is ze hier en ik heb gezien dat ze net zo keek als toen ze de baby van de nieuwe mensen zag die helemaal in Nieuw Guinea gewoond hebben. Als deze vader een keer met mij naar het afkickcentrum gaat vertel ik het aan pappa en zeg ik dat mijn paard zelfs bij Jezus in de stal mocht staan naast de os en de ezel van Guusje en Paul en dat kerstfeest grote blijdschap is omdat Jezus bij de mensen is komen wonen, van heel ver weg, nog verder dan Nieuw Guinea".

Als we chocolademelk drinken komt Guusjes vader naast me zitten. Hij vraagt of ik het verhaal herkende. Ik vertel hem dat ik denk dat ik gebeden heb en vraag of het kan komen omdat ik speelde dat ik een herder was. Ik vertel over het scrabbelen in mijn hoofd, dat de letters vanzelf rijtjes werden. Hij kijkt verrast. Hij denkt dat als je zo dicht bij Jezus bent gekomen als die herders, je vanzelf gaat bidden omdat Híj de woorden legt.

Op de terugweg zingt het in mijn hoofd. Ik vertel het aan Guusje. Ze is even stil alsof ze na moet denken. Opeens roept ze vrolijk: “Zo ging het bij de herders ook!”

Coby Poelman – Duisterwinkel
Uit: “Granaatjes met een gouden slot”

Het kunstwerk, foto bovenaan is van Anneke Hoes.




Krystferhaal: Nije minsken

Ik doch sabeare oft myn fyts in hynder is en stegerje troch de nijbou. Somtiden glydzje ik hast út yn it sân. De strjitmakkers binne al op hûs oan en it wurdt al gau tsjuster. Der is al ien rychje huzen klear. Ik lit my fan myn hynder glydzje en set him fêst. Der baarnt ljocht yn ien fan de huzen en ik wol witte oft dêr ek bern wenje. Ik bin altyd mar allinnich. De measte bern út myn klasse ha wol broerkes en suskes en in heit en mem. In echt freondintsje ha ik ek net, want de bern fine it mar frjemd dat ik allinnich in mem ha. En al sis ik dat ús heit kaptein op in boat is... se leauwe my net. Stikem ha se wol gelyk want it is ek net sa.
Ik sjoch dat yn dat ferljochte hûs in âlde brune piano stiet mei dêrop in fjouwerkante   fiskebak mei  plantsjes en in hiele grutte skulp. Sa’n ien wêrynst de see heare kinst. Dy fiskebak jout ljocht! Ik sjoch in bank stean, stuollen mei griene kjessens en neist de piano stiet in tafel mei seis stuollen. In jonge en in famke binne oan it skrebbeljen, dat kin ‘k ek sjen en in lyts famke stiet der by te sjen. It grutte famke liket fan myn leeftyd. De jonge laket en skriuwt syn punten op yn in skrift. It famke pakt no letters fan har plankje en leit se op it boerd. De jonge telt har punten en no laket hy net mear en skriuwt  har punten ek yn it skrift.
Dan komt harren mem de keamer yn. Se hat in lytse poppe op ’e earm. De bern skowe it boerd en de plankjes oan ’e kant en dan kin de mem de lytse poppe op ’e tafel in skjin ruft oan dwaan. Eins wol ik sjen hokker wurd it famke makke hie op it boerd mar … dan sjogge se ynienen my efter it rút stean. It grutte famke komt oerein en docht de bûtendoar iepen. “Do meist der wol yn komme, hear!”, seit se. Dan jout se my in hân en seit dat se Guusje hjit. Se draait har om en sjocht oft ik har wol efternei kom. Dan bin ik yn de keamer en jouwe se my allegear in hân. De jonge hjit fan Paul en it lytsere famke hjit fan Lidy. Har mem nimt no de lytse poppe wer op ’e earm, jout my ek in hân en freget oft ik ek wat te drinken ha wol. Oft ik wol limonade mei. Guusje giet mei my nei de keuken en pakt in flesse mei roazebottels op it etiket. Dan jit se wat fan dat guod yn in glês en docht der wetter by. Ik  mei it wol. Guusje freget oft ik ek sjonge kin, want se sille aanst sjonge by de piano.
Har mem spilet út in grut boek mei streepkes en stipkes en mei swart/wite plaatsjes. Se sjongt sels ek mei. Dan skowe se foar my in stoel neist har mem, dan kin ik de wurdsjes lêze yn it boek. De oaren kinne de ferskes al út ’e holle. It is net sa muoilik, sizze se. Ast goed nei de piano lústerst kinst heare hoe’t de wize giet. Ik moat earst mar ris lústerje. Se sjonge oer ‘tûzen ingels dy ‘t yn de loft sweve en sjonge fan frede’ en dan sjonge se ‘Gloo’ mei in lange ‘o’ en oer ‘Ria yn Excelsis Deo’. Dêrnei sjonge se oer ‘it lytse berntsje’ en oer ‘hoeders dy ’t kamen en by de krêbe op ‘e knibbels lizze’. Dan komt wer dy ‘Gloo’ mei de lange ‘o’ en dy ‘Ria’. Ik sjoch nei it plaatsje yn it sjongboek en nei de poppe yn de maksy-kozy. Miskien is dat wol in krêbe. Mar wat dy hoeders dêr by moatte begryp ik net. Dan freegje se oft ik meisjonge wol, mar ik wol earst witte wa’t Ria is mei dy nuvere achternamme en oft sy dy maksy-kozy in krêbe neame. Har mem moat laitsje. Paul nimt in grut Boek út ‘e kast en lit my moaie kleurde platen sjen. Hy fertelt wat der by stiet en hy seit dat ik yn dat boek sjen mei sa faak as ik wol. Har mem seit dat ik álles freegje mei wat ik witte wol.

As ik thúskom ite we al wer beantsjes yn tomatesaus. No tink ik der mar knakwoarstjes by want dan is it krekt oft se lekkerder binne as juster. Ik sjoch op it oanrjocht. Om it blik sit itselde etiket as juster. Ik fertel mem dat ik by de nije minsken yn ’e hûs west ha. Dat it gesellich wie en dat se by in piano songen oer ‘ingels yn de loft’ en oer ‘de Heare dy’t in lytse poppe wie’ en dat ik faker komme mei en dat se in hiel moai boek ha wêr ’t dy Heare as in lytse poppe yn in foerbak leit wat se in krêbe neame. Mem sjocht my oan en seit dat ik der wol in bytsje om tinke moat. Se binne frjemd en dat ik se net tefolle fertelle moat. Se is wurch fan de hiele dei achter de kassa te sitten. As ik de tafel ôfromme ha en de ôfwask dien, leit mem te sliepen op ‘e bank. Ik doch de tillevyzje oan mar der is neat oan. Dan gean ik mar achter de kompjûter sitten. Ik gûgelje it wurd ‘krêbe’. ‘Krêbe’ is in âld Frysk wurd foar foerbak. It wurd is foaral bekend wurden omdat yn it berteferhaal fan Jezus (út Lukas) brûkt waard: “Hy yn in krêbe lein waard”. Der stiet in kleurefoto fan sa’n krêbe by, dy’t ek yn it boek stie fan dy aardige frjemde minsken wêr’t ik net tefolle oan fertelle mei fan ús mem…

Ik spring wer op myn ‘hynder’. Dy ha ik krigen fan myn neefke. Us omke hat de stange der ôf seage en doe waard it in famkesfyts. As ik op de trapers stean fiel ik de hobbels en bobbels minder en bin ik yn ‘galop’.
De strjitmakkers binne hjoed in stik fierder kommen. De doar fan Guusje-en-dy is los. Guusje, Paul en Lidy en harren mem sitte by de grutte tafel te knippen en plakken. Lytse plaatsjes op kleurd karton. Se meitsje krystkaarten foar har nije buorlju. Ik mei ek meihelpe. Mei in kartelskjirre, dy’t moaie rântsjes makket, mei ik de gedichtsjes útknippe dy ’t se útprinte ha. Ik lês: “Us Rêder waard berne. Hy oerwûn it kwea, grutte bliidskip is te hearen as eltsenien dit nijs ferstiet.” Ik freegje wat in ‘Rêder’ is. Harren mem seit dat it de Heare Jezus is dy ’t yn de krêbe lei. Hy hat, doe ’t Hy grut wie, alle kwea fan de minsken op him nommen en no mei eltsenien dy ’t dat wol by Him heare. As alle minsken by Him heare wolle om ’t se fan Him hâlde, komt der ‘grutte bliidskip’.
Dan komt harren heit thús. Hy seit mei in fleurich gesicht dat hy in ferrassing hat en hâldt in pûde omheech mei reade tekeninkjes derop. Ik rûk al wat it is: oaljekoeken! Hy freget of ik mei-ite wol. Dan moat ik earst nei ús mem dy ‘t yn de supermerk oan it wurk is om te freegjen oft it wol mei… en it mei!
As we it iten op ha lêst de heit út it Boek dat Paul my earder al sjen litten hat. Hy hat in moaie stim. Eltsenien is stil en dan dogge se de hannen gear. No praat har heit lûdop mei syn eagen ticht. Hy tanket de Heare -dy’t in lytse poppe west hat- foar it lekkere iten en freget in Seine oer it krystfeest en noch wat oer ‘it reitsjen fan herten’. Nei ‘t hy ‘amen’ sein hat nimt elts wat mei nei it oanrjocht. De tafel is gau rom. Dan komt harren heit werom nei de keamer en giet neist my sitten en freget oft ik ek in heit ha. Ik moat tinke oan wat mem sein hat… Is prate mei de hannen gear eat wêrfoar’t ik oppasse moat of moat ik oppasse dat ik neat fertel? Mar dizze heit hat sokke freonlike eagen en dan fertel ik wat ik noch nea oan ien ferteld ha. Dan is it in skoftsje stil. Harren heit seit dat hy der oer neitinke sil oft hy ek wat foar ús dwaan kin. En hy freget oft ik sin ha om mei te helpen de skuorre by de stins gesellich te meitsjen foar it bernekrystfeest. No, dat wol ik wol!

As ik nei ôfrin wer thúskom sjocht mem sa bliid! Se hat besite hân en ik mei trije kear riede. Ik sjoch op ’e tafel in doaze mei skrebbel stean. Guusje en Paul komme moarn mei my skrebbeljen, ha se sein! Dan giet mem nei de nije minsken ta, want mem sil op harren lytse poppe passe krékt op de dagen dat mem nét yn de supermerk wurket. Se sille mem fertelle  wêr’t alles stiet.

De oare deis meie Paul, Guusje en ik op ’e fyts nei it krystfeest yn de skuorre by de stins. De oaren geane mei de auto. Ik fertel oan Guusje dat myn fyts myn hynder is. Ik lit har sjen hoe’t je stegerje kinne mei de fyts. Guusje besiket it ek, mar se slingeret nochal. Paul botst mei syn foartsjil tsjin har spatboerd oan. “Tink derom!”, ropt er. Mar Guusjes tsjil komt yn ‘e berm en se falt mei de fyts oer ‘e kop. Fuortdaliks giet se wer oerein en kloppet de measte smoargens fan har jas. Se bûcht it tsjil rjocht tusken har fuotten en stapt gau wer op. Under it fytsen seit Paul dat we net wer sa gefaarlik dwaan moatte. No krijt hy aanst op ’e kop om’t hy de âldste is en om harren tinke soe en no is Guusje smoarch…
Guusje seit dat se leare woe te stegerjen op har hynder… “In ezel bedoelst seker?”, seit Paul. “No, dan is dyn fyts in okse!”, seit Guusje.
We binne der hast en it is al in bytsje tsjuster oan it wurden. Ik tink oan de krystferskes en begjin te sjongen. Paul is noch in bytsje nidich fan ‘e botsing mar Guusje sjongt daliks mei. Wat klinkt dat moai no ’t it sa stil is! As it no ek noch snijde wie it hielendal prachtich. Harren heit wachtet al op ús. We meie de fytsen yn ‘e skuorre sette. We moatte ús jas oanhâlde want der is gjin ferwaarming yn ’e skuorre. It is in gelok dat it hjir net sa ljocht is, want no sjocht gjinien dat Guusje har klean smoarch binne.

Ik doch sabeare as is dizze skuorre de stâl fan Bethlehim en dat hjir de lytse poppe Jezus berne is en dan binne wy de hoeders dy ’t op besite komme. Ik sit neist Guusje. Dy liket wol in echte hoeder mei har smoarge klean en de skramkes op har hannen. We lústerje nei de frou dy’t it ferhaal fertelt. Ik sjoch nei ús mem. Soe sy it ek in moai ferhaal fine? Se sjocht my oan en dan!... dan fielt it as skrebbelet it yn myn holle. De letters steane no samar teplak…! Dan flústerje ik sa sêft, dat net ien it heare kin, sels Guusje net: “ Leave Jezus, tankewol dat ús mem wer lake hat. Miskien komt it wol om’t se yn it Boek lêzen hat, doe’t se oppasse moast op de lytse poppe fan ‘e buorlju. Dêrfoar woe se nea wat, mar ik wit noch hoe ’t har gesicht feroare doe ’t se de lytse poppe seach fan de nije minsken -dy’t earst hielendal yn Nij Guineä wenne ha- en dêr’t se no op passe mei.

Nije wike, as Guusje har heit mei my nei it ôfkik-sintrum sil, dêr’t ús heit wennet, sil ik oan ús heit fertelle dat myn ‘hynder’ by Jezus yn ‘e stal stean mocht neist de ‘okse’ en de ‘ezel’ fan Paul en Guusje. En dat elts mei it krystfeest sa bliid is om ’t Jezus by de minsken kaam te wenjen. Hiel fier fuort. Noch fierder as Nij Guineä.

No ’t it ferhaal dien is drinke we earst poeiermolke. Guusje’s heit freget my oft ik it ferhaal noch koe. Ik fertel him dat ik tink dat ik bidden ha. Soe dat komme om’t ik sabeare die oft ik in hoeder wie? Ik fertel oer it skrebbeljen yn myn holle. Dat de letters fansels op it goede plakje kamen te stean. Hy sjocht fersteld nei my. “Ik tink”, seit er, “datst bidde koest, omdatst as hoeder hiel ticht by Jezus wiest. Dan giet it fansels”.

Op de weromreis sjong ik samar yn mysels. Dat fertel ik oan Guusje. Dy wurdt der stil fan. Mar dan seit se ynienen optein: “Dat dienen dy hoeders ommers ek!”


Geen opmerkingen:

Een reactie posten