Welkom op mijn blog! U vindt hier Christelijke kerstverhalen, een Christelijk Paasverhaal en gedichten bij de Christelijke feestdagen. Deze verhalen en gedichten mag u ongewijzigd met vermelding van naam of bron vrij gebruiken voor uw vieringen, kerkblad, liturgie enz. U kunt mijn blog terugvinden via http://christelijkefeestdagen.blogspot.com/ Heeft u belangstelling voor mijn boeken, die zijn verkrijgbaar bij bol.com, via cobytjeert@live.nl en te leen in de bibliotheek.
Met hartelijke groet, Coby Poelman - Duisterwinkel.

vrijdag 23 november 2012

Kerstverhaal 2011, nu ook in het Fries en het Gronings vertaald



Kerstfeest op het Groninger platteland.

Hoe laat het was wist de oude Jannika niet. Ze liep door de lange gang, steunzoekend langs de leuning die aan de muur bevestigd was en vroeg zich af achter welke deur haar kamer ook al weer was. Aan het einde van de gang was de glazen deur waarachter de sfeer van gezelligheid woonde. Door het glas in lood zag ze lichtjes branden. De geur van dennengroen kwam haar tegemoet. Was dit de deur van haar kamer? Op elke deur was een foto van de bewoner geplakt. Ze herkende haar foto. De deur kierde open. Het was donker. Ze knipte het licht aan en zag haar bekende spulletjes. Haar bed, de twee oorfauteuils, de antieke linnenkast, haar rollator die ze weer vergeten was mee te nemen en de kast met de vaas van haar ouders naast de foto van haar verloofde die vlak voor haar huwelijk door een verkeersongeval om het leven was gekomen. Ze had nooit meer een man ontmoet die haar grote liefde had kunnen vervangen.
Op het tafeltje stond de cassetterecorder die de mevrouw van de kerk gebracht had. Ze hoefde alleen maar de knop met de stikker in te drukken, dan kon ze de kerkdienst beluisteren.
Ze schuifelde naar een van de stoelen, die met het kanten kleedje over de rugleuning, drukte op de knop en hoorde het inleidend orgelspel van de kerstdienst in haar vertrouwde gemeente.
Met haar handen gevouwen en de ogen dicht gaf ze zich over aan de woorden van de dominee. De liturgie die ze van de mevrouw had gekregen lag naast de cassetterecorder. Ze kon niet meer zo goed lezen, zelfs de grootletter liturgie begon voor haar ogen te dansen. Nee, het was beter zo. Af en toe prevelde ze woorden mee met het gebed. Als het zingen begon leefde ze op, dan zat ze rechtop in de stoel en zong uit haar hoofd met glanzende ogen alle verzen mee. Ze leefde zich in alsof ze erbij was. Na het amen van de zegen stond ze op uit haar stoel, pakte haar handtas en schuifelde de gang op. Ze liep de lange gang weer door, kwam voorbij een kapstok, pakte een grijze jas die op de hare leek en trok hem aan. Er zat een sjaal in de mouw ontdekte ze, die deed ze om haar hals. In de jaszakken vond ze handschoenen.

Helemaal gekleed om uit te gaan stond ze even later voor de grote deur die niet open ging. Hoe kon dat nu, ze duwde tegen de deur. Waarom ging de kerkdeur niet open en waar waren alle mensen? Gelukkig, daar kwam een meneer met een lange zwarte jas aan en een hoed op. Dat was zeker de dominee. Hij drukte op de knoppen van een soort telefoon en de deur ging zomaar vanzelf open.
Zonder om te kijken liep hij naar buiten en zij schuifelde zacht achter hem aan.
Hij liep met grote passen en opeens bedacht ze dat haar rollator nog binnen stond.
Ze was helemaal vergeten dat ze niet goed meer kon lopen, zo had ze geprobeerd de dominee bij te houden.
Zoekend naar houvast greep ze om zich heen en begon te wankelen. Ze voelde hoe ze haar evenwicht verloor en tegen een taxushaag viel, haar tasje lag buiten haar bereik. Ze probeerde overeind te komen toen een sterke man zich over haar boog en vroeg of ze zich bezeerd had. Ze kende de man niet. Hulpeloos keek ze in zijn ogen en zei dat ze het allemaal niet meer wist.
 
De man hielp haar overeind en vroeg waar ze naar op weg was, of hij haar kon brengen. Ze wist het niet meer, het leek wel of ze helemaal niets meer wist. Toen zag ze voor een verlicht raam van het huis waar ze op uitkeken een kaarsje branden en haar ogen begonnen te lichten. Ze wist het weer, het was kerstfeest en ze wilde naar de kerk!
Ze vertelde de man dat ze naar de kerk wilde omdat het kerstfeest was en met kerst ging ze altijd naar de kerk om het evangelie uit Lukas te horen en te zingen tot Gods eer, te vieren dat de Redder was geboren om de mensen te verlossen.
De man zei dat er op dit moment van de dag geen kerkdiensten gehouden werden en het kerstfeest van de zondagsschool was ook al voorbij, hij had nog naar de kinderen gezwaaid en zich afgevraagd of ze tegenwoordig nog een boekje cadeau kregen net als vroeger.
Toen hij de diepe teleurstelling zag op het gerimpelde gezicht van de hulpeloze vrouw kwam er een gedachte in hem op. Hij kende een boer op het Groninger platteland die op zijn erf een kerkje had gebouwd en in dat kerkje werden wel eens trouwdiensten gehouden en ook wel bijzondere kerkdiensten. Op eerste kerstdag waren er vast wel mensen in dat kerkje die daar eens een kijkje wilden nemen op dit uur van de dag. Er speelde ook wel eens iemand op het orgel. Wie weet, zo te zien maakte het deze vrouw niet uit of het een kerkdienst was of een zanguurtje, hij kon haar er wel naar toe brengen. Er lag altijd wel een Bijbel waaruit hij iets uit Lukas kon lezen.
Er kwam een blijde glans op zijn gezicht toen hij haar vertelde dat hij haar naar een kerk zou brengen waar uit Lukas gelezen zou worden en waar zij kon zingen tot eer van God.
Hij hielp haar in zijn auto en even later reden ze door het prachtige landschap van Groningen over smalle weggetjes, schaars verlicht door de vallende sneeuw.
Jannika straalde. Met haar tasje op schoot genoot ze van dit onverwachte autoritje.
Wat was het hier mooi, zo stil en vredig. Overal zag ze boerderijen met verlichte ramen, het was net als vroeger toen ze als jong meisje bij volle maan naar de meisjesvereniging fietste. Alle herinneringen kwamen boven. De man keek af en toe opzij in het gezicht van de oude vrouw dat glansde in een weerschijn van licht in het donker.
Hij dacht aan zijn moeder die hij zojuist had thuisgebracht, maakte zich zorgen over haar geestelijke gezondheid. Ze stond nu al bijna een half jaar op de lijst voor "Het Hofje". Wat had ze genoten van deze middag. Ze had het zo fijn gevonden hun kinderen weer te zien en het vriendinnetje van Johannes te ontmoeten.
Ook moest hij terugdenken aan zijn vrouw die vanmorgen nog voor hem had gestaan met smekende ogen en gevraagd had of hij dan tenminste nu het kerst was weer eens mee naar de kerk wilde gaan en hoe hij had gezegd dat juist met kerst er vrede in de kerk moest zijn en dat daar voor hem geen vrede was. Verdrietig was ze alleen de deur uitgegaan met gebogen hoofd en afhangende schouders en hij had weer gemerkt hoe ellendig hij zich eronder voelde.
Nu zat hij met een oude vrouw in de auto en was op weg naar de kerk. Hij realiseerde zich opeens dat de vrouw wel eens in "Het Hofje" kon wonen. Hij had haar vlakbij "Het Hofje" gevonden. Het begon hem duidelijk te worden dat het gedrag van de vrouw goed paste bij de mensen die daar woonden.
 
Hij keek in de spiegels en zette de auto aan de kant van de weg. Hij moest zijn vrouw bellen en vragen of ze het personeel van "Het Hofje" wilde informeren. Hij zou de vrouw persoonlijk na een paar uurtjes terugbrengen en hij zou zijn vrouw vragen of ze met de kinderen naar het kerkje wilde komen, dat hij daar uit Lukas zou voorlezen en of Johannes zijn orgelboek mee wilde brengen en wat kerstliederen zou kunnen spelen. Hij zou haar zeggen dat het hem speet van vanmorgen en al die keren dat hij haar alleen had laten gaan. Hij zou het goed gaan maken met zijn buurtgenoot uit de gemeente en dan zou er morgen op de tweede kerstdag toch vrede zijn in de kerk. Dan zou hij naast zijn Irene zitten met een opgeruimd hart.
Hij haalde zijn mobieltje tevoorschijn, zei tegen de vrouw dat hij even een paar mensen moest bellen.
De vrouw knikte naar hem met haar zachte ogen en keek weer naar buiten waar de sneeuw inmiddels was blijven liggen in het uitgestrekte landschap.
Met een opgelucht hart startte hij de auto, keek naar Jannika die nu met gevouwen handen en gesloten ogen naast hem zat en zei: "We zijn er bijna mevrouw, we zullen het kerstfeest van ons leven meemaken."
De blijdschap in de ogen van Jannika was groot.
De autobanden maakten sporen in de verse sneeuw. In het schijnsel van de lampen dwarrelden steeds grotere vlokken. Nog even en het kerkje kwam in zicht. Er brandde licht evenals in het theehuis ernaast. Een bevrijdend gevoel maakte zich van hem meester.
Met de vrouw in de arm liep hij voorzichtig het bruggetje over, het kerkpad op en Jannika genoot van de mooie kleurschakeringen van het verlichte glas in lood.
Johannes bespeelde het orgel. Zijn vriendinnetje zat in de kerk naast zijn lieve Irene, hun dochter stond achter de lessenaar en bladerde in de Bijbel. Zijn schoonzoon stak enkele kaarsen aan. Met brandende ogen en Jannika aan zijn arm liep hij naar wie hem zo dierbaar waren.
Toen de boer na zijn ronde in de stal de deur van zijn kerkje opende trof hij één van zijn vrienden uit een naburig dorp achter de lessenaar, lezend het Lukasevangelie, zijn gezin met een oude vrouw die hij niet kende, enkele gasten waaronder een groep verdwaalde Pieterpadwandelaars, rugzakken in het gangpad, brandende kaarsen, de geur van dennennaalden maar wat vooral opviel was de serene sfeer die hier ademde. Hij nam een stoel en voegde zich bij het kleine gezelschap. Hij keek omhoog en zag Johannes op de orgelbank en naast hem zat… zag hij het goed, zat daar naast Johannes de veehouder waar zijn vriend al jaren mee in onvrede leefde vanwege een stuk land? Beide mannen kwamen geregeld een kop koffie bij hem drinken hier in zijn kerkje. De laatste jaren kwamen ze alleen nog als ze zeker wisten dat de ander er niet was. Hij had van beide kanten het verhaal gehoord en had er zo zijn eigen gedachten over en nu, hier in zijn kerkje, in een spontaan opgezet zanguurtje, zo leek het, waren ze er beiden. De één het evangelie lezend, de ander als assistent van de organist.
Hij was ontroerd dat zijn gebeden op deze bijzondere kerstdag hier onder zijn ogen leken te zijn verhoord.
 
Op de terugweg in de stille witte avond mengde zich een basstem met een beverige sopraan in een warme auto. Opeens begreep de Groninger dat het welbehagen uit het engelenlied vanavond heel dichtbij gekomen was en dat deze vrouw die op zijn weg gezonden was daar een groot aandeel in had gehad.
Ze naderden "Het Hofje" waar ze in liefde werden ontvangen met warme chocolademelk en een dik plak kerstbrood met roomboter.
Jannika had een blos op haar wangen en haar hele gezicht straalde toen ze zei:
"We hebben kerstfeest gevierd in de velden, net als in Efratha en het Engelenlied klonk er heerlijk!"

© Coby Poelman-Duisterwinkel.


Dit verhaal is geschreven in 2010 voor de kerstmiddag van de Martinikerk Groningen en gepubliceerd in de Bijbelse dagboeken "Kruimkens van 's Heeren tafel 2013" en "Honigdroppels 2014".


U mag dit verhaal gebruiken voor uw kerstviering maar niet verder verspreiden of publiceren zonder toestemming van de auteur. cobytjeert@live.nl


  De foto (kerkje van boer Harkema) is van Gertjan van Noord.

Uit: "Granaatjes met een gouden slot", verkrijgbaar via www.bestelmijnboek.nl, bij bol.com, bij de boekhandels in Groningen en Zuidhorn en via cobytjeert@live.nl
Zoekt u een leuk kerstgeschenk of verjaardagscadeau, dit boek is heel geschikt om als kerstgeschenk te geven aan ouderen van de kerk. Bij 5 of meer bestellingen zijn oplopende kortingen mogelijk als u via cobytjeert@live.nl bestelt.

De tekst op de achterkant van dit boek:

Humoristische en ontroerende gedichten over bijzondere momenten. Voordrachtteksten, geloofsgedichten, korte Christelijke kerstverhalen, korte verhalen en ook enkele voordrachtteksten in het Gronings.
Geboren in Groningen (1955), gehuwd (1975), opgegroeid in en geïnspireerd door deze omgeving begon ze in 2006 gedichten te schrijven die gepubliceerd zijn in diverse kranten, tijdschriften, bundels en op het internet. Ook schrijft ze gedichten over boeken voor literaire bijeenkomsten, dicht in het Gronings voor o.a. het tijdschrift voor de Groninger cultuur en publiceert in bijbelse dagboeken. De eerste druk van haar bundel ‘Granaatjes met een gouden slot’ verscheen in 2008. Hierna volgden een aantal bundels met geloofsgedichten, voordrachtteksten, poëzie bij kunst en literatuur en twee kinderboekjes. In deze tweede druk is de oorspronkelijke tekst aangevuld met nieuw verzameld werk.
Reacties van lezers: “Haar gedichten zijn bijzonder, helder van beeld en taal. Dat maakt de teksten krachtig en tegelijk toegankelijk. Ze heeft een hele vrolijke manier van schrijven. De verzen ademen een bepaalde lichtheid waar je blij van wordt.”
  • titel: Granaatjes met een gouden slot
  • auteur: Coby Poelman - Duisterwinkel
  • ISBN: 978-90-819904-9-3
  • uitvoering: paperback (zwartwit)
  • omvang:  199 pagina's, formaat 148x210 mm
  • prijs: 12,90 per boek

Krystfeest op it Grinzer plattelân.

Hoe let it wie wist âlde frou Nienhuis net. Se rûn troch de lange gong, steun sykjend oan ’e leuning en se frege har ôf achter welke doar har keamer ek al wer wie. Oan ’e ein fan ‘e gong wie de glêzen doar, dêr achter de sfear fan gesellichheid. Troch it glês-yn-lead seach se ljochtjsjes baarnen. De reuk fan dinnegrien kaam har temjitte. Wie dit de doar fan har keamer? Op elke doar wie in foto fan de bewenner plakt. Se herkende har foto. De doar gie op in kier. It wie donker. Se knipte it ljocht oan en seach de har bekende spullen: Har bêd, de twa noflike stuollen. De antike linnenkast, har rollator dy’t se wer fergetten wie mei te nimmen en de kast fan har âlden mei in faas neist de foto fan har ferloofde dy ‘t flak foar har houlik troch in ferkearsûngelok om it libben kommen wie. Se hie nea wer in man moete dy’t har grutte leafde ferfange kinnen hie. Op it taffeltsje stie de kassetterekorder dy’t de mefrou fan de tsjerke brocht hie. Se hoechde allinich mar de knop mei de stikker yn te drukken, dan koe se de tsjerketsjinst belústerje. Se skufelde nei ien fan de stuollen -dy mei it kanten kleedsje oer de rêchleuning-, drukte op ‘e knop en hearde it ynliedend oargelspul fan de tsjerketsjinst yn de har fertroude Gemeente. Mei har hannen gear en de eagen ticht joech se har oer oan de wurden fan de dûmny. De liturgy dy’t se fan de mefrou krigen hie lei neist de
kassetterekorder. Se koe net mear sa goed lêze, sels de grutletterliturgy begûn foar har eagen te dûnsjen. Nee, it wie better sa. Sa no en dan preuvele se wurden mei, mei it gebed. As it sjongen begûn, libbe se op, dan siet se rjochtop yn ‘e stoel en song se út ’e holle, mei de triennen yn ’e eagen, alle ferskes mei. Se libbe har yn as wie se der by. Nei it ‘amen’ fan ‘e segen gie se oerein, pakte har taske en skufele de gong op. Se rûn de lange gong wer troch, kaam foarby in kapstok, pakte in grize jas dy’t op harres like en luts him oan. Der siet in sjaal yn de mouwe seach se, dy die se om ’e hals. Yn ‘e jasbûsen fûn se wanten.

Hielendal kleid om nei bûten ta stie se even letter foar de grutte doar dy’t mar net iepen woe. Hoe koe dat no, se drukte tsjin de doar. Wêrom gie de tsjerkedoar net iepen en wêr wiene alle minsken? Gelokkich, der kaam in mynhear mei in lange swarte jas oan en in hoed op. Dat wie seker de dûmny. Hy drukte op ’e knoppen fan in soarte fan tillefoan en de doar gie samar fansels iepen. Sûnder om te sjen rûn hy nei bûten en sy skufele sacht achter him oan. Hy rûn mei grutte stappen en ynienen betocht se dat har rollator noch binnen stie. Se wie hielendal fergetten dat se net mear goed rinne koe, sa hie se prebearre de dûmny by te hâlden. Sykjend nei hâldfêst grypte se om har hinne en begûn te wankeljen. Se fielde hoe‘t se har lykwicht ferlear en tsjin in hage foel, har taske lei bûten har berik. Se pebearre oerein te kommen doe’t in sterke man him oer har bûgde en frege oft se har besearre hie. Se koe de man net. Helpleas seach se yn syn eagen en sei dat se it allegearre net mear wist.

De man holp har oerein en frege wêrnei’t se op wei wie... of hy har bringe koe. Se wist it net mear, it like wol oft se hielendal neat mear wist. Doe seach se foar in ferljochte rút in kearske baarnen en har eagen begûnen te glimkjen. Se wist it wer: it wie krystfeest en se
woe nei’t tsjerke! Se fertelde de man dat se nei tsjerke woe om ’t it krystfeest wie en mei de kryst gie se altyd nei tsjerke om it evangeelje út Lukas te hearren, en te sjongen ta eare fan God, te fieren dat de Rêder berne wie om minsken te ferlossen. De man sei dat der op dit momint fan de dei gjin tsjerketsjinsten hâlden waarden en it krystfeest fan de sneinskoalle wie ek al foarby. Hy hie noch nei de bern wuifd en him ôffrege oft se tsjintwurdich nog in boekje kado krigen krekt as froeger. Doe’t hy de djippe teloarstelling seach op it rimpele gesicht fan de helpleaze frou kaam der in gedachte by him op. Hy koe in befreone boer op it Grinzer plattelân, net sa fier hjirwei, dy't op syn hiem in tsjerkje boud hie, wêryn wolris in troutsjinst holden waard of in bysûndere tsjerketsjinst. Op dizze earste krystdei wiene der fêst wol minsken yn dat tsjerkje. Der spile ek wolris ien op it oargel. Wa wit, sa te sjen makke it dizze frou net út oft it in tsjerketsjinst wie of in sjong-oerke, hy koe har dêr wol nei ta bringe. Der lei altyd wol in Bibel wêrút hy fan Lukas lêze koe. Der kaam in blide glâns op syn gesicht doe’t hy har dit fertelde, dat hy har wol nei in tsjerkje bringe soe wêr’t fan Lukas lêzen wurde soe en wêr’t sy sjonge koe ta eare fan God.
Hij holp har yn syn auto en even letter rieden se troch it prachtige lânskip fan Grins
oer smelle dykjes, dy’t der prachtich by leine troch de fallende snie.

Frou Nienhuis glundere. Mei har taske op ‘e skurte geniete se fan dit ûnferwachte autoritsje. Wat wie it hjir moai, sa stil en fredich. Oeral seach se buorkerijen mei ferljochte ruten, it wie krekt sa as froeger doe’t se as lyts famke by ljochtmoanne nei de famkesferiening fytste. Alle herinnerings kamen boppe.
De man seach sa no en dan fansiden nei it gesicht fan de âlde frou, dat glundere yn in wearskyn. Hy tocht oan syn mem dy’t hy niiskrekt thúsbrocht hie, makke him soargen oer har geastlike sûnens. Se stie no al hast in jier op ’e list foar “Het Hofje”. Wat hie se genoaten fan dizze midzje by harren thús. Se hie it sa fijn fûn har bern te sjen en it freondintsje fan harren Jehannes te moetsjen. Ek moast hy weromtinke oan syn frou dy’t moarns noch foar him stien hie mei smeekjende eagen en frege hie of hy dan teminsten no’t it kryst wie werris mei gie nei tsjerke en hoe’t hy sein hie dat krekt mei kryst der frede yn de tsjerke weze moast en dat der foar him gjin frede wie. Fertrietlik wie se allinnich de doar útgien, mei de holle foardel en hingjende skouders en hy hie wer murken hoe ellindich hy him dêrûnder fielde. En no siet hy mei in âlde frou yn ’e auto en wie op wei nei in tsjérke. Hij realisearre him ynienen dat de frou wolris yn “Het Hofje” wénje koe. Hy hie har flakby “Het Hofje” fûn... It begûn him dúdlik te wurden dat it gedrach fan de frou goed paste by de minsken dy’t dêr wennen. Gau sette er de auto oan ’e kant fan ‘e dyk. Hy moast syn frou Irene belje en freegje oft se it personiel fan “Het Hofje” ynformearje woe. Se moast sizze dat hy it âlde minskje persoanlik nei in pear oerkes werombringe soe en hy soe syn frou freegje oft se daliks mei de bern nei it tsjerkje komme woe. Dat hy dêr út Lukas foarlêze soe en oft Jehannes syn oargelboek meinimme woe en wat krystferskes spylje. Hy soe har sizze dat it him spite fan dy moarns en al dy kearen dat hy har allinich gean litten hie. Hy soe it goed meitsje mei syn buorman út ’e Gemeente en dan soe der op twadde krystdei dochs frede wêze yn ’t tsjerke. Dan soe hy neist syn Irene sitte mei in ferromme hert.

Hy helle syn mobyltsje foar it ljocht en sei tsjin it âlde minskje dat hy even belje moast. De frou knikte nei him mei har sachte eagen en seach wer nei bûten wêr’t de snie yntusken lizzen bleaun wie. Dernei alhiel ferromme starte hy de auto, seach nei it wyfke, dy’t no mei de hannen gear en sluten eagen neist him siet en sei: “We binne der hast mefrou, we sille it krystfeest fan ús libben meimeitsje”. De blidens yn de eagen fan it froutsje wie grut. De autobannen makken al spoaren yn de farske snie. Yn it skynsel fan de lampen dwarrelen hieltyd gruttere flokken. Noch even en it tsjerkje kaam yn ’t sicht. Der baarnde ljocht, lyk as yn it theehûs derneist. In befrijend gefoel kaam oer him. Mei de frou yn de earm rûn hy foarsichtich it brechje oer, it tsjerkepaad op. Frou Nienhuis geniete fan de moaie kleuren yn it ferljochte glês-yn-lead. Jehannes bespile it oargel al. Syn freondintsje siet yn ’e tsjerke neist syn leave Irene, harren dochter stie achter de lessenaar en blêdere yn de Bibel. Syn skoansoan stuts krekt inkele kearsen oan. Mei de trienen yn d’ eagen en it âlde minskje oan syn earm rûn hy nei harren dy’t him sa dierber wiene.

Doe’t de boer - fan wa’t it tsjerkje wie- nei syn ronde yn de stâl de doar fan it tsjerkje iepene seach hy ien fan syn freonen út in doarpke fierderop achter de lessenaar, lêzend it Lukas- evangeelje, syn gesin -mei in âlde frou dy’t hy net koe- en inkele gasten, wêrûnder in groep ferdwaalde ‘Piterpaadkuierders’. Rêchsekken yn it gongspaad, baarnende kearsen, de reuk fan de krystbeam, mar wat him foaral opfoel wie de serene sfear dy’t dêr hong. Hy naam in stoel en foege him by it geselsskip. Hy seach omheech en waard Jehannes gewaar op de oargelbank en neist him siet ...?... Seach hy dat goed? Siet dêr, neist Jehannes, de feehâlder wêr’t syn freon, dy’t no achter de lessenaar stie, al jierren spul mei hie fanwege in stik lân? Beide mannen kamen apart geregeld om in kop kofje by him, hjir by syn tsjerkje yn it theehûs. De lêste jierren kamen se allinnich noch as se seker wisten dat de oare der net wie. Hy hie fan beide kanten it ferhaal heard en hie dêr sa syn eigen gedachten oer en no, hjir yn syn tsjerkje, yn in spontaan opset sjong-oerke, sa like it, wiene se der beide! De ien it evangeelje lêzend, de oar as assistint fan de oargelist. It die him nochal wat no’ t it like oft syn gebeden op dizze bysûndere krystdei ferheard waarden.

Yn ’e waarme auto, op ’e weromreis yn de stille wite jûn, mingde him in basstim mei in trilrige sopraan. Ynienen begriep de Grinzer dat it ‘welbehagen’ út it Ingleliet fan ‘e jûn hiel tichtby kommen wie en dat dit âlde wyfke, dy’t op syn paad kommen wie, dêr in grut oandiel yn hân hie.
Se kamen by “Het Hofje” wêr’t se leafdefol ynhelle waarden mei waarme sûkelademolke en in dik plak krystbôle. Alde frou Nienhuis hie in kleur op ’e wangen en har hiele gesicht striele doe’t se sei: “Wy ha krystfeest fierd yn it fjild, krekt as yn Efratha en it Ingleliet klonk dêr hearlik!”

Oerset nei in krystferhaal fan Coby Poelman-Duisterwinkel.

De mevrouw die mijn verhaal heeft vertaald heeft aangegeven dat zij graag anoniem wil blijven. Ik ben haar erg dankbaar dat zij het in het Fries heeft vertaald voor de mensen aan wie zij het tijdens een kerstviering heeft voorgelezen en dat ik de vertaling op mijn blog mocht plaatsen.
Mocht u dit lezen en zou u ook één van mijn kerstverhalen willen vertalen dan zou ik dat ontzettend leuk vinden.



Kerstfeest op t Grunneger plattelaand

Hou loat of t was wis Jitske nait. Ze laip deur de lange gaang, steunzuikend langs de stang aan de muur en vroug zich oaf achter welke deur heur koamer ook al weer was. Aan t ende van de gaang was de gloazen deur woar de sfeer van gezelleghaid huusde. Deur t glas ien lood zag ze lichjes brannen. De reuk van dennetakken kwam heur tegemout. Was dit de deur van heur koamer? Op elke deur was n foto van de bewoner plakt. Ze herkende heur foto. De deur kierde open. t Was duuster. Ze knipte t licht aan en zag heur bekende spullen. Heur berre, twai leunstoulen, de antieke linnenkaast, heur rolloator dai ze alweer vergeten haar en de kaast met de voas van heur ollers noast de foto van heur verloofde dai vlak veur heur traauwen deur n ongeluk om t leven kommen was. Ze haar noeit meer n man troffen dai heur grode laifde vervangen kon.
Op t toafeltje ston de cassetterecorder dai de vrouw van kerk broacht haar. Ze hufde allain mor de knop met plakker ien te drukken, den kon ze noar kerkdainst luusteren.
Ze schoevelde noar ain van de stoulen met n kanten klaidje over rugleuning, drukte op knop en heurde t ienlaidend örgelspel van kerstdainst ien heur vertraauwde gemainte.
Met heur handen vollen en ogen dicht gaf ze zich over aan de woorden van de domenee. De liturgie dai ze van de vrouw kregen haar lag noast de cassetterecorder. Ze kon nait meer zo goud lezen, zelfs grootledderliturgie begon veur heur ogen te daansen. Nee, t was beter zo. Oaf en tou prevelde ze woorden met ien t gebed. As t zingen begon leefde ze op, den zat ze rechtop ien stoul en zong uut de kop met glim- ogen alle verzen met. Ze leefde zich ien asof ze derbie was. Noa t amen van de zegen ging ze stoan, pakte heur tas en schoevelde gaang op. Ze laip de lange gaang weer deur, kwam veurbie kapstok, pakte n grieze jas dai op heurent leek en trok hom aan. Der zat n sjaal ien de mouw vernam ze, dai dee ze om haals. Ien jasbuzen von ze handschounen.

Heulemoal aanklaid om vot te goan ston ze even loater bie veurdeur dai nait open wol. Hou kon dat nou, ze drukte tegen deur. Woarom wol kerkdeur nait open en woar waren alle mensen? Gelukkeg, doar kwam n man met n lange zwaarte jas aan en n houd op. Dat was domenee zeker. Hai drukte op knoppen van n soort telefoon en de deur ging zomoar vanzelf open.
Zunder om te kieken laip er noar boeten en zai schoevelde zaacht achter hom aan.
Hai laip met grode stappen en ienainend bedoacht ze dat heur rolloator nog ien kerk ston.
Ze was heulemoal vergeten dat ze nait goud meer lopen kon, zo haar ze probeerd domenee bie te hollen.
Zuikend noar holvast greep ze om zich hen en begon te stroekelen. Ze vuilde hou ze heur evenwicht verloor en tegen een taxusheeg aanviel, heur tas lag n end verderop. Ze probeerde ientênne te kommen toen n staarke man zich over heur henboog en vroug of ze zich zeerdoan haar. Ze kende de man nait. Hulpeloos keek ze ien zien ogen en zee dat ze t aalmoal nait meer wis.
 
De man hailp heur ientênne en vroug woar ze hen wol, of hai heur aargens henbrengen kon. Ze wis t nait meer, t leek wel of ze heulemoal niks meer wis. Dou zag ze veur n verlicht roam van t huus woar ze op uutkeken n keerske brannen en heur ogen begonnen te lichten. Ze wis t weer, t was kerstfeest en ze wol noar kerk!
Ze vertelde de man dat ze noar kerk wol omdat t kerstfeest was en met kerst ging ze altied noar kerk om t evangelie uut Lukas te heuren en te zingen tot Gods eer, te vieren dat de Redder geboren was om mensen te verlössen.
De man zee dat er op dit moment van dag gain kerkdainsten hollen werden en t kerstfeest van zöndagsschoul was ook al oaflopen, hai haar nog noar de kiender zwaaid en zich oafvroagd of ze tegenworreg nog n boukje kedo kregen net als vrouger.

Dou er t teleursteld gezicht zag van de hulpeloze vrouw kwam er n gedachte ien hom op. Hai kende n boer dai op zien aarf n kerkje bouwd haar en ien dat kerkje werden wel es traauwdainsten hollen en ook wel biezundere kerkdainsten. Op eerste kerstdag waren er vast wel kiekers ien dat kerkje op dit uur van de dag. Der speulde ook wel es ain op t örgel. Wel wait, zo te zain moakte t dizze vrouw nait uut of t n kerkdainst was of n zanguurtje, hai kon heur der wel henbrengen. Der lag altied wel n Biebel woar er wat uut Lukas lezen kon.
Der kwam glaans op zien gezicht dou er heur vertelde dat er heur noar n kerk toubrengen zol woar uut Lukas lezen worden zol en woar ze zingen kon tot eer van God.
Hai hielp heur ien zien auto en even loater reden ze deur t prachtege landschap van Grunnen over smalle wegjes, schoars verlicht deur vallende snijvlokken.
Jitskes gezicht stroalde. Met heur tas op schoot genoot ze van dit onverwachte autoritje.
Wat was t hier mooi, zo stil en vredeg. Overal zag ze boerderijen met verlichte roamen, t was net as vrouger dou ze as jong wichje bie volle moan noar wichterverainen fietste. Alle herinneringen kwamen boven. De man keek oaf en tou opzied ien t gezicht van de olle vrouw dat glaansde ien weerschien van licht ien t duuster.

Hai doacht aan zien moeke dai er net thuusbrocht haar, moakte zich zörgen over heur geesteleke gezondhaid. Ze ston nou al host n half joar op de liest veur "t Hofke". Wat haar ze genoten van dizze mirrag. Ze haar t zo mooi vonnen heur kiender weer te zain en t vriendinnetje van Johannes te treffen.
Ook mos er terugdenken aan zien vrouw dai vanmörnen nog veur hom stoan haar met smekende ogen en vroagd haar of hai den tenminsten nou t kerst was weer es met noar kerk wol en hou er zegd haar dat er juust met kerst vrede ien kerk weden mos en dat doar veur hom gain vrede was. Verdraiteg was ze allain deur uutgoan, kop veurover en schollers noar beneden en hai haar weer vernomen hou ellendeg hai zich er deur vuilde.
Nou zat er met n olle vrouw ien auto en was onderwegens noar kerk. Hai realiseerde zich ienainend dat de vrouw wel es ien "t Hofke" wonen kon. Hai haar heur vlakbie "t Hofke" vonnen. t Begon hom duudlek te worden dat t gedrag van de vrouw goud paasde bie de mensen dai doar woonden.
Hai keek ien de spaigels en zette auto aan kaant van weg. Hai mos zien vrouw bellen en vroagen of ze t personeel van "t Hofke" ienformeren wol. Hai zol de vrouw persoonlek noa n poar uur trugbrengen en hai zol zien vrouw vroagen of ze met kiender noar t kerkje kommen wol, dat hai doar uut Lukas veurlezen zol en of Johannes zien örgelbouk metnemen wol en wat kerstlaideren speulen kon. Hai zol tegen heur zeggen dat t hom speet van vanmörn en aal dai keren dat er heur allain noar kerk lait gain. Hai zol t goud moaken met zien buurtgenoot uut gemainte en den zol er mörn op twaide kerstdag toch vrede ien kerk weden. Den zol er noast zien Irene zitten met n opschoond haart.

Hai hail zien mobieltje teveurschien, zee tegen de vrouw dat er even n poar mensen bellen mos.
De vrouw knikte noar hom met heur zaachte ogen en keek weer noar boeten woar de snij ienmiddels liggen bleven was ien t uutstrekt landschap.
Met n roem haart startte hai auto, keek noar de vrouw dai hannen weer vollen haar en met ogen dicht noast hom zat en zee: "We zijn er bijna mevrouw, we zullen het kerstfeest van ons leven meemaken."
De bliedschap ien de ogen van Jitske was groot.
De autobanden moakten sporen ien de snij. Ien t schiensel van de lampen dwarrelden aal grodere vlokken. Nog even en t kerkje kwam ien zicht. Der braande licht net as ien t theehuus dernoast. n Bevraid gevuil kwaam over hom.
Met de vrouw ien aarm laip er veurzichtig t brugje over, t kerkpad op en Jitske genoot van de mooie kleuren ien t verlichte glas ien lood.
Johannes speulde op t örgel. Zien vriendinnetje zat ien kerk noast zien laive Irene, heur dochter ston achter katheder en bloaderde ien Biebel. Zien schoonzeun stak n poar keersen aan. Met brannende ogen en Jitske aan aarm laip er noar wel hom zo laif waren.

Dou de boer noa zien ronde ien stal de deur van zien kerkje open dee trof er ain van zien vrunden uut n noabureg dörp achter de katheder, uut Lukas aan t lezen, zien huushollen en n olle vrouw dai er nait thuusbrengen kon, n stuk of wat bezuikers en n groep verdwoalde Pieterpadlopers, rugzakken ien t gaangpad, brannende keersen, de reuk van dennennoalden mor wat veuraal opvail was de vredege sfeer dai er hier aantrof. Hai pakte n stoul en ging der bie zitten. Hai keek omhoog en zag Johannes op örgelbaank en noast hom zat… zag er t goud, zat doar noast Johannes dai veeholler woar zien vrund al joaren met ien onmin leefde om n stuk land? Baide mannen kwamen geregeld n kop kovvie bie hom drinken hier in zien kerkje. De leste joaren kwamen ze allain nog as ze zeker wissen dat d aander der nait was. Hai haar van baide kaanten t verhoal heurd en haar der zo zien aigen gedachten over en nou, hier ien zien kerkje, ien ain of aander zanguurtje, zo leek t, waren ze der baiden. Ain aan t Biebellezen, aander as hulp van örgenist.
Hai was ontroerd dat zien gebeden op dizze biezundere kerstdag hier onder zien ogen leken verheurd te weden.

Weeromrais ien de stille widde oavond mengde n basstem zich met n trillerege soproan ien n waarme auto. Ienainend begreep de Grunneger dat t welbehoagen uut t engelenlaid vanoavond heul dichtbie kommen was en dat dizze vrouw dai op zien pad kommen was doar n groot aandail in had haar.
Ze waren host bie "t Hofke" woar ze ien laifde opvangen werden met waarme sukkeloademelk en n dik plak krendestoet met roombodder.
Jitske haar n kleur op wangen en heur haile gezicht stroalde dou ze zee:
"We hebben kerstfeest gevierd in de velden, net als in Efratha en het Engelenlied klonk er heerlijk!"

© Coby Poelman-Duisterwinkel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen